Category

Mama

Category

Ik weet niet hoe het bij jullie thuis is, maar met een driejarige in huis zijn de Sinterklaasboeken van Intertoys en Bol.com hier inmiddels stukgelezen. Ik krijg drie keer per dag de vraag of Sinterklaas er al bijna is en ze verheugt zich enorm op cadeautjes. Ik geniet enorm van haar voorpret, maar probeer ondertussen ook de verwachtingen een beetje te temperen: Sinterklaas komt straks niét met het complete assortiment van Intertoys aan.

Bovendien vind ik het een beetje onzin om allerhande nieuw speelgoed te kopen als er ook heel veel bijna-nieuw speelgoed genadeloos in de weg staat bij mensen. Iedere ouder weet dat speelgoed zich sneller door je huis verspreidt dan een coronabesmetting in Staphorst. Eens in de zoveel tijd ga ik er eens met de bezem doorheen en ruim op waar niet meer mee gespeeld wordt (om dat vervolgens naar de kringloop te brengen of tijdelijk op te bergen en later weer tevoorschijn te halen), maar het blijft gewoon veel. Bij het zien van al die plastic Paw Patrol-meuk in de boekjes, zie ik dus vooral een potentieel opbergprobleem.

Bovendien is heel veel speelgoed allesbehalve fair geproduceerd. Nu ben ik echt niet heilig op dit gebied, maar het voelt toch gek om speelgoed te kopen dat is gemaakt is door kinderen die zelf geen tijd hebben om te spelen, omdat ze moeten werken.

Omdat er dus heel veel ouders zijn die rond deze tijd hun huis proberen te ontdoen van speelgoed, staan de kringloopwinkels en Marktplaats er momenteel vol mee. Deze Sinterklaas (nouja, eerder de kerstman denk ik) gaat dus voor zoveel mogelijk tweedehands cadeautjes dit jaar. Een paar tips:

  • Begin vroeg. Liefst vorige maand, maar nu kan ook nog. Hoe eerder je erbij bent, hoe meer er te vinden is, hoe lager de prijzen én (als je kiest voor bezorgen) je ontlast de postbezorger een beetje in de drukste maanden.
  • Stel zoekopdrachten in op Marktplaats, zodat je als eerste op de hoogte bent als je iets specifieks zoekt.
  • Ga naar veel verschillende kringloopwinkels, óók die ene armoedige, want je weet nooit wat er te vinden is.
  • Koop alleen dingen die compleet en heel zijn, reinigbaar zijn en waarvoor -indien nodig- nog reserve-onderdelen/navullingen/etc. te krijgen zijn. Oh en ook handig: als je iets koopt waar batterijen in moeten, check dan even het batterijvakje op leeggelopen exemplaren. Ik zoek zelf altijd op ‘zo goed als nieuw’.
  • Zoek ook op verkeerde spelling.
  • Blader regelmatig door de ‘in de buurt’ sectie van Marktplaats zonder zoekwoorden, want zo vind je de leukste dingen bij bijvoorbeeld je achterburen.
  • Check de recensies van de verkoper, vooral als je dure of heel gewilde dingen koopt.

Wat heb ik tot nu toe gekocht
Bij de kringloop scoorde ik voor 1 euro zo’n vormenstoofbal van Tupperware. Je weet wel, die ene met twee kleuren die je uit elkaar moet trekken en waar dan figuurtjes in zitten. Diezelfde dag scoorde ik twee leuke spelletjes voor de peuter. Via Marktplaats een set met sensory blokken hier in de wijk en een poppenbuggy. Op dit moment ben ik in afwachting van een Tiptoi-set (dat moet je echt noooooit nieuw kopen, want er staan er heel veel op Marktplaats) en ik zoek nog een mooie grote Duplo-set hier in de buurt.

Wat koop ik nieuw?
Op Paw Patrol-gebied heb ik minder geluk, dus ik vrees dat ik daarvoor binnenkort toch een bestelling moet plaatsen. Verder heb ik in de uitverkoop bij de HEMA voor allebei een muts, sjaal en wanten gekocht (lekker praktisch) en er volgen ook nog wel wat kleine aankopen bij lokale ondernemers.  

Wat is jouw cadeautjes-stijl? Alles nieuw? Of speur je ook naar tweedehands?

“Mijn naam is Anneke en ik ben de ib’er op deze school. Ik neem aan dat jullie weten wat dat betekent.” Anneke keek ons aan. Ik glimlachte. Na dit statement stak Anneke van wal over de onlangs opnieuw vastgelegde visie van de school, die uiteraard nog volop in volop in beweging was, maar waar de leerling altijd centraal staat. Iedereen met een kind boven de 3 weet waar wij in beland zijn: de Grote Scholenzoektocht.

Want tenzij je in de randstad woont en je je kind het liefst tijdens de conceptie al ingeschreven moet hebben op drie wachtlijsten óf in een heel klein dorp met 1 optie, is het aanbod nogal overweldigend. Althans, bij ons in de Vinex zitten een stuk of 20 basisscholen, allemaal met een andere visie, onderwijsmethode en sfeer. Hoe kies je dan in vredesnaam de juiste school voor je kind? Een school waar ze, met een beetje geluk, 8 jaar van haar leven iedere doordeweekse dag naartoe gaat en zich dus wel een beetje op haar gemak moet voelen? 

Tip 1: Bedenk welke scholen je niet passen
Wij besloten eerst eens een lijstje te maken van scholen die zouden afvallen. Dat waren voor ons de scholen met een heel duidelijke godsdienstige grondslag, de scholen die verder dan 10 minuten fietsen zijn vanaf ons huis en de gigantische scholen met meer dan 500 leerlingen. Maar goed, toen hielden we er nog steeds een stuk of 10 over. 

Tip 2: Verdiep je in de schooltypen
Jenaplan, Montessori, Daltononderwijs… weet jij precies wat de kenmerken zijn van de verschillende typen onderwijs? Ik wist het niet, dus het was tijd voor een spoedcursus. Gelukkig heb ik verschillende (oud-)basisschooldocenten in mijn omgeving, die me heel wat konden vertellen over onderwijsvormen. Veel onderwijsvormen gaan uit van zelfstandigheid en de belevingswereld van kinderen, maar de nuance ligt steeds net anders. 

Tip 3: Scholen op de kaart
Op scholenopdekaart.nl vind je informatie over alle basisscholen in Nederland. Die informatie wordt deels ingevuld door de scholen zelf, maar is ook gebaseerd op gegevens van de inspectie. Om een indicatie te krijgen van het niveau van de leerlingen, kijk je onder het kopje ‘Resultaten’, waar je niet alleen het schooladvies in groep 8 ziet, maar ook of de leerlingen in de eerste en de derde klas op, onder of boven dat niveau zitten. 

Tip 4: Schoolgidsen en websites lezen
Ok. Dit is een taaie, want alle schoolgidsen en websites zeggen ongeveer hetzelfde: werken volgens een visie, kind centraal (goh), aandacht voor cultuur/sport/creativiteit, etc., Maar toch is het goed om de websites en gidsen eens door te nemen, zodat je ook gerichte vragen kunt stellen. Probeer een beetje tussen de regels door te lezen om te kijken wat ze nu eigenlijk écht bedoelen. En vergeet ook de social kanalen van de school niet, want hier vind je vaak de ‘real life’ foto’s van activiteiten en de sfeer.

Tip 5: Vraag rond!
Vraag bij ouders uit de buurt naar hun praktijkervaringen met specifieke scholen. Van ouders hoor je altijd meer dan uit de schoolgids (maar laat je niet teveel beïnvloeden door hun persoonlijke meningen). Het is ook waardevol om andere kleuterouders in je sociale kring te vragen naar hun overwegingen. Zij kijken weer op een andere manier naar het kiezen van een basisschool. Zo wees een vriendin mij op het feit dat het ook handig is om te kijken naar de bereikbaarheid van de school en of de route er naartoe een beetje te doen is. Had ik zelf niet bedacht, maar het is wel goed om over na te denken.

Tip 6: Ga kijken. Met je kind!
Wij hebben inmiddels 2 scholen bekeken, samen met de toekomstige leerling(e). Dat bleek een schot in de roos, want uiteindelijk is haar reactie ontzettend belangrijk. De eerste school leek ons als ouders heel leuk, want wat vrijer en losjes, maar S. vond het heel overweldigend en hing als een aapje aan onze benen. De tweede school is wat traditioneler qua onderwijs, maar daar voelde ze zich meteen thuis en ze dook een speelhoek in. Helder!

Tip 7: Maak een vragenlijstje
De rondleiding is ook het moment om je vragen te stellen. Een paar dingen die op ons lijstje stonden: Hoe word je op de hoogte gehouden van je kind? Hoe groot zijn de groepen? Hoe gaan ze om met kinderen die meer uitdaging of juist meer hulp nodig hebben? Wat zijn er voor activiteiten op het gebied van creativiteit, cultuur en sport? Hoe wordt er omgegaan met pesten? Hier hebben we ook een joker ingezet: mijn schoonmoeder, die jarenlang juf geweest is, was mee naar één van de scholen.

Tip 8: Verdiep je ook de praktische kant
Ok, onderwijstype, sfeer, reactie van het kind, allemaal heel belangrijk. Maar het moet ook een beetje praktisch zijn. De bereikbaarheid, maar ook de schooltijden zijn goed om even te checken. De meeste scholen hebben tegenwoordig een continurooster, maar er zijn ook scholen die nog een ouderwetse middagpauze hebben. En check ook de voor- en naschoolse opvang, de ouderbijdrage en -participatie en of er een wachtlijst is.

Wij denken dat we de juiste school inmiddels gevonden hebben. Hopelijk bevalt het onze kleuter net zo goed als we nu denken en gaat ze hier een fijne basisschooltijd tegemoet. Dit was mijn spreekbeurt, zijn er nog vragen? 😉

Lil’ L. is ruim een half jaar en daarom zijn we een paar weken geleden begonnen met vast voedsel. Volgens het consultatiebureau hadden we dat met 4 maanden al moeten doen, maar ik volg daarin liever mijn eigen gevoel en besloot 2 maanden te wachten. Volgens diverse onderzoeken schijnt het beter te zijn voor de darmpjes om pas met 6 maanden te starten. Maar belangrijker nog: ze toonde totaal geen interesse in eten en was vooral geïnteresseerd in borstvoeding. Voor mij een teken dat ze er eerder nog niet aan toe was. Maar rond een half jaar was er ineens een verandering: ze probeerde eten van mijn bord te pakken, keek geboeid toe hoe wij aten en imiteerde onze kauwbewegingen. Tijd voor de introductie van grotemenseneten!

Iedereen die een paar momfluencers volgt op Instagram, weet dat er verschillende stromingen zijn. Team Staafmixer en Team Rapley, kortgezegd. Team Staafmixer geeft alles gepureerd van een lepeltje, Team Rapley geeft alleen maar hele stukken die de baby zelfstandig kan ontdekken en opeten. Ik pak van allebei een beetje: ze krijgt een mix van gepureerde groente- en fruithapjes en hele stukken eten. Waarom? Eigenlijk vooral omdat ik niet altijd zin heb om het plaats delict van een Rapley-maaltijd op te ruimen. Een baby van een half jaar zelfstandig broccoli laten eten staat garant voor groene stukjes in een straal van drie meter rondom de kinderstoel. Dus krijgt ze op drukke dagen gewoon van een lepeltje. Dat zal ze op een gegeven moment toch moeten leren, denk ik dan. 

De ene dag een stuk banaan, de andere dag een fruithapje uit een potje: niet te moeilijk doen joh.

Hoe pak ik de eerste hapjes aan?

  • Ik vind het fijn als een baby een fatsoenlijk kan zitten voor je ze eten geeft (ook een reden om te wachten tot 6 maanden). Dus ik zet haar in de Stokke met een zitverkleiner, daar kan ze prima een kwartiertje stabiel in zitten. Verder belangrijk: een plankje onder de voeten, zodat ze zich af kunnen zetten om goed te hoesten, mocht er een stukje verkeerd schieten. En eten doen we gezellig met zijn allen aan tafel, dus ze schuift gewoon aan bij het ontbijt, bij het fruit om 10:00 en het avondeten. Tijdens onze lunch slaapt ze meestal, dus die slaat ze over.
  • Ik zweer bij siliconen slabbetjes van de Zeeman, die kun je afspoelen en zelfs in de vaatwasser gooien. Ideaal.
  • Ik ben begonnen met groente en toen ze dat goed at, ben ik na twee weken ook fruit gaan introduceren. Het idee is dat je ze dan niet eerst ‘verpest’ met het lekkere zoete fruit, waardoor ze daarna de smaak van bloemkool nooit meer gaan waarderen. En: in de basis geef ik altijd enkelvoudige smaken. Dus geen mango/banaan of wortel/broccoli-mixjes, maar 1 van de 2. Dan leert ze dat dat losse smaken zijn.
  • Niks mis met potjes (vooral die van AH Biologisch vind ik helemaal prima), maar ik zorg ervoor dat ik ook altijd wat zelfgemaakts in huis heb. Daarvoor kook ik groenten, gooi er een klein scheutje olie door (baby’s hebben vetten nodig om te groeien!), pureer ze met de staafmixer en vries ze in in ijsblokvormpjes. Op drukke dagen kan ik dan drie of vier blokjes ontdooien.
  • Een baby moet een groente ongeveer 10 keer proeven voordat ze de smaak gaan waarderen. Ik geef daarom 3 dagen achter elkaar hetzelfde, zodat ze de smaak gaat herkennen. 
  • Haar favoriete groenten uit het vuistje: zoete aardappel, broccoli en kort gekookte courgetterepen. Bietjes en bloemkool vallen tot nu toe niet zo in de smaak.
Zoete aardappelpuree om te geven met een lepeltje en daarbovenop stukjes gekookte venkel om zelf te eten.
  • Zacht fruit, zoals nectarine, mango, meloen en banaan geef ik in stukken zo groot als haar vuist. In het begin likte ze alleen een beetje, inmiddels knaagt ze met haar tandvlees een stuk fruit weg. Hard fruit, zoals peer en appel, krijgt ze als gepureerd hapje (meestal gewoon uit een potje). De echte Rapley-diehard geeft dat ook in stukken, maar dat vind ik een beetje te spannend. 
  • Ze krijgt broodkorsten (met soms een likje pindakaas) als wij ontbijten. Een beetje spannend, want brood gaat plakken als het nat wordt en daardoor moet ze er wel eens van kokhalzen. Meestal ziet het er enger uit dan het is: het kokhalsreflex bij baby’s zit nog behoorlijk vooraan en daardoor redden ze zichzelf eigenlijk altijd. Als iets te groot is, kokhalzen en hoesten ze net zo lang tot het eruit vliegt. Ik vind het wel een rustgevende gedachte dat ik kinderEHBO heb gedaan, zodat ik als het echt misgaat, weet wat ik moet doen.
  • Eten geef ik met een klein, kunststof lepeltje. Ik smeer de lepel niet af aan haar gehemelte, maar laat haar zelf happen door een beetje druk te geven met de lepel op haar tong. En meestal krijgt ze zelf ook een lepel om mee te zwaaien en op tafel te meppen, want anders hebben we steeds discussies wie de lepel vast mag houden.
  • Voor de introductie van de verschillende soorten groenten en fruit, hanteer ik ongeveer dit schema. Of ik google gewoon op ‘mag baby 6 maanden aardbei’ (nee).
  • Ze is heel enthousiast over eten en eet eigenlijk alles, behalve bloemkool, lekker weg. Toch is het goed om te onthouden dat onder 1 jaar melk het hoofdvoedsel is en blijft. Als ze eens een dagje wat minder eet, is er dus geen paniek.

Ik ben heel benieuwd hoe het zich blijft ontwikkelen, dat eten van haar. Grote zus at ook best goed als baby zijnde en beperkt inmiddels tot een dieet van boterhammen, pasta met rode saus, vissticks en pannenkoeken. Maar wie weet blijft deze dame een echte alleseter. Tot zover mijn spreekbeurt over baby’s eerste hapjes. Zijn er nog vragen? 😉

Bij het moederschap krijg je gratis een berg zorgen. Reële en irreële angsten over ongelukken, ziektes en andere ellende dringen zich met enige regelmaat aan me op. En toen onze lieftallige dochter zich anderhalf jaar geleden een serieuze snee in haar voorhoofd viel op een glazen salontafel, vond ik het toch tijd om me eens te verdiepen in EHBO. Om in ieder geval voorbereid te zijn op een déél van mijn angsten. Maar goed, het leven kwam even tussendoor en zodoende duurde het tot vorige maand voor een keer actie ondernam en een cursus volgde.

Die cursus kinderEHBO werd georganiseerd door het plaatselijke Rode Kruis en bestond uit een e-learning en een live cursusochtend waar je de fijne kneepjes van het vak leerde. En die voor mij maar weer eens bewees dat domme vragen wel bestaan ik compleet ongeschikt ben voor klassikale bijeenkomsten. Ik kreeg er ook nog een naslagwerk bij dat eruit ziet als een kruising tussen een werkstuk uit groep 8 en een ode aan de diverse mogelijkheden van Word-Art, maar waar alle informatie van de cursus helder in staat beschreven.

EHBO’ers zijn een bijzonder soort mensen. Ze hebben een eigen jargon (‘blazen’ in plaatst van ‘beademen’, ‘duwen’ in plaats van ‘hartmassage’), een onnavolgbaar soort humor waarvoor je zeer diep in de EHBO-materie moet zitten en houden er ook allerlei andere wonderlijke hobby’s op na, zoals Lotus-slachtoffer spelen bij defensie-oefeningen. Maakt niet uit, ik ben blij dat ze er zijn en hun kennis met ons delen, maar ik heb er echt nog nooit eentje ontmoet die niet op zijn minst een beetje maf was. Deze cursus werd geleid door een echtpaar. Beiden professioneel EHBO-instructeur. Ze introduceerden zichzelf met: “ja, wij zijn een echtpaar. En ja, wij hebben echt gepaard. Onze dochter is ook EHBO’er.” Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik heb dan direct visioenen van hoe twee EHBO’ers elkaar de slaapkamer in lokken met de belofte van stabiele zijligging, mond-op-mondbeademing en full body hartmassage.

De cursus an sich was wel heel leerzaam. De e-learning heeft me een paar avonden gekost en zat behoorlijk goed in elkaar, ondanks de houterig geacteerde filmpjes met veel nepbloed. Je leerde alles over wonden, breuken, brandwonden en andere huis-tuin-en-keuken-ongelukjes waarbij het fijn dat je weet wat je moet doen. De focus lag op reanimeren: wat moet je doen bij een hartstilstand, ademnood of andere levensbedreigende situaties? En hoewel dat ook best goed uitgelegd werd in de digitale cursus, was ik blij dat ik een paar ochtenden later met de pop aan de slag mocht om het echt in de vingers te krijgen.

Goed om eens te kijken: reanimatie van een baby. Video is van het Vlaamse Rode Kruis.

Ik ben BHV’er en heb tijdens die trainingen al regelmatig een volwassen pop moeten reanimeren, maar ik vond het heel nuttig om de handelingen ook eens op een babypop uit te voeren. Die techniek is net even anders namelijk en het is goed om dat een paar keer gedaan te hebben. Ik vond het mentaal wel behoorlijk heftig om een pop met het formaat van mijn eigen baby te moeten reanimeren. Hopelijk hoef ik de kennis nooit in het echt toe te passen.

Hoe dan ook, ik ben heel blij dat ik de cursus gedaan heb en mijn EHBO-certificaat heb gehaald. Het was een eh, unieke ervaring, maar belangrijker is dat ik me er een stuk zekerder door voel. De cursus kostte me via de gastouderorganisatie waar wij bij aangesloten zijn 85 euro, waarvan ik ook weer 50 euro terugkreeg van mijn zorgverzekeraar (CZ). Voor de kosten hoef je het dus eigenlijk niet te laten. Belangrijk is wel om de kennis een beetje up-to-date te houden, dus ik wil vanaf nu iedere twee jaar op herhaling.

Heb jij een EHBO-diploma?

Onze peuter praat van ’s ochtends 6 tot ’s avonds 19. En als ze niet praat, dan zingt ze. In die eindeloze woordenstroom komen de meest hilarische uitspraken voorbij. Een paar pareltjes van de afgelopen tijd, om te onthouden.

Fietsend langs een uitgestoken vlag met een schooltas eraan: “Maar mama, je mag toch helemaal niet slaan?”
“Eh, nee, dat is niet aardig.” (me ondertussen afvragend waar deze vraag vandaan komt)
“Waarom doen ze het dan?”
“Wie?”
“Die mensen van die vlag!” (Aaaaah. Ik had haar uitgelegd dat de vlag uithing omdat daar iemand woont die geslaagd is. Geslaagd. Geslagen. Ik snap ‘m)

De auto deed het niet en een paar buurmannen waren zo vriendelijk om me even te helpen. Ze duwden me de straat door om te kijken of de auto dan wel wilde starten. Deed ‘ie niet. Motorkap open, alles nakijken, geen idee. Buurman neemt plaats achter het stuur om te kijken welke lichtjes branden. De peuter, die alles tot dan toe zwijgend had bekeken vanuit haar stoeltje, tegen de buurman: “Ik denk dat de accu leeg is.”

Ze wil alleen maar getemperatuurd worden met de oorthermometer als ze daarna onze temperatuur ook op mag nemen. Haar vader was er laatst niet best aan toe: “Oh nee! 31 december!”

De peuter over de verschillen tussen mannen en vrouwen: “Meisjes hebben dezelfde plasser. En papa’s hebben een soort dun liersje (sliertje).” Helder.

Ik had de verwachtingen met betrekking tot Koningsdag beter moeten managen: “Vandaag is de koning jarig toch? Hoe laat gaan we op visite? En is er taart?”

Een mistige ochtend. “Mama, kijk! Het is giftig buiten!”

Toen ik nog zwanger was, pakte ze regelmatig haar speelgoedstethoscoop om naar de baby te luisteren. Op een dag luisterde ze heel lang, deed de stethoscoop af, keek me ernstig aan en zei plechtig: “Het is zes uur.”

S.: “Kijk, de zon schijnt!”
Ik: “Ja, wie had dat gedacht na al die regen van vanmorgen!”
S.: “Nou, oma wel hoor.”
Ok.

Tijdens het knutselen: “Mag ik de bijter?”
“De schaar?”
“NEEHEE. DE BIJTER!”
Dit bleek een bijter:

Je moet het maar net weten.
Klets maar lekker raak, kind.

Overmorgen wordt ze drie. Al drie. Pas drie. Onze kletskous, ons huppelende staartje, het meisje dat mij mama maakte.

Ze is lang voor haar leeftijd. En wijs, ook. ‘Ze kan zo meedraaien in groep 1’, merkte een vriendin op toen ik haar een filmpje stuurde van hoe ze de cijfers op een hinkelbaan opnoemde terwijl ze van steen naar steen sprong. Ze herkent de letters van haar eigen naam, van onze namen, van papa, mama, de katten, de oppas en als ze een letter tegenkomt die ze niet kent, vraagt ze ‘wie kennen we met deze letter?’. En dan onthoudt ze dat. Omdat ze dat leuk vindt.

Het zorgt wel eens voor verwarring bij andere kindjes. Qua lengte doet ze niet onder voor een vierjarige. Qua spraak ook niet. Maar sociaal gezien is ze echt nog maar een peutertje. Met alle onhandige peutermanieren die daarbij horen. Ze doet de grotere kinderen na en probeert ze bij te benen in hun spel. Maar als je het niet helemaal begrijpt, zijn kinderen meedogenloos. Het maakt haar niet uit. Ze kijkt ze nog even na en verzint dan zelf wel weer iets anders. 

Het is haar heerlijke onbevangenheid die me soms letterlijk aan het huilen maakt. Hoe ze zonder een spoortje gène met haar armen in de lucht meedanst bij een kinderoptreden. Hoe ze in haar Frozen-rok met zonnehoed en regenlaarzen naar de winkel gaat en glimt van trots bij iedere ‘wat zie jij er mooi uit’. Hoe ze zich vol overgave op een chocolade-ijsje stort. ’s Ochtends nog even bij ons in bed kruipt, dicht tegen me aan. Ademloos kan luisteren naar boeken die we al honderd keer voorgelezen hebben. Hulpvaardig de ramen lapt (met ranja en een poppendekentje).

Ze geeft een geheel eigen invulling aan het grote-zussenschap. 

Knuffelen of helpen in bad doen? Nee bedankt. 

Hapjes geven? Gadver. 

Sokken uitzoeken voor de baby dan? Nou, vooruit. 

Ik vroeg me een tijdje af of ze haar zusje überhaupt aardig vond, maar dat antwoord kreeg ik bij het consultatiebureau. Ze moest mee naar de eerste vaccinaties omdat ik geen oppas had. Verdiept in Nijntje op mijn telefoon leek ze het gesprek over de baby niet te volgen. Tot de arts de twee injecties voorbereidde. Ze smeet de telefoon aan de kant en als ik haar niet tegengehouden had, was ze de arts te lijf gegaan. “NEE! NIET MIJN ZUSJE PRIKKEN!”, riep ze. Toen wist ik: het zit wel goed.

Ze is een echte peuter. De zoektocht naar autonomie en geborgenheid zorgt soms voor totale kortsluiting. Ze kan me tot het uiterste drijven met een halsstarrig ‘nee’ op iedere vraag en weet precies hoe ze ervoor kan zorgen dat we nog even terugkomen als ze eigenlijk al in bed ligt. Ze weigert een hap van haar eten te nemen zodra ik het waag er enige vorm van druk op te leggen en laat zich dramatisch schreeuwend op de grond vallen bij de geringste tegenslag. En ze heeft het geduld van haar moeder, wat onfortuinlijk uitpakt als je alles zelf wil doen.

Maar als ze dan ‘s avonds in haar bedje ligt, haar knuffel veilig onder haar arm en haar blonde haren uitgespreid over het kussen, ben ik de drama’s van de dag weer vergeten. Dan is ze weer dat kleine baby’tje dat mij op 5 juni 2018 mama maakte. Het meisje dat die hele hittegolfzomer lang maar één plek kende: op mijn borst. Dat van een baby in een dreumesje veranderde en van een dreumes in een peuter. Het meisje dat niet kan wachten tot ze eindelijk naar school mag. Maar tot die tijd, mag ze nog even lekker klein blijven.

Al jarenlang maak ik iedere laatste dag van de maand een maandoverzichtje voor mijn Instagram-pagina. Meer voor mezelf dan voor mijn 299 volgers, maar ik was toch vereerd toen iemand vorige maand opmerkte dat ik mijn maandoverzicht vergeten was. Enfin, bij het overzicht van mei 2021 typte ik vanmiddag dit:

Mei was de maand van mijn eerste moederdag als moeder van twee meisjes, de maand van een heerlijk familieweekend, van een dolle zaterdag met vijf peuters en vijf kletsende moeders, van groen, bloemen en wandelingen. Ik zou bijna vergeten dat het ongeveer 83% van de tijd regende, mijn cumulatieve slaapgebrek net zo hard toenam als de neerslagsom en ik eigenlijk een groot deel van de tijd moe en chagrijnig was. Maar goed, uiteindelijk wint het mooie het altijd van het lelijke. Ook in mijn hoofd. Zelfs als dat hoofd aanvoelt alsof het vol met grind zit. 

Want ja, keeping it real, zoals ze op Instagram zeggen: ik vond het allemaal niet zo heel makkelijk afgelopen maand. Slaapgebrek, een lijf dat nog steeds vol hormonen zit, borstvoedingsdilemma’s (ik schreef twee maanden terug dat ik na een half jaar borstvoeding wilde stoppen, maar dat blijkt toch wat genuanceerder te liggen), en een hoofd dat continu alle kanten op gaat, zorgden ervoor dat ik niet de beste versie van mezelf was afgelopen maand. 

En dat mag soms best.

Althans, dat is wat ik tegen anderen zeg. Vanmorgen nog, tegen een collega: “Wat niet gaat, dat gaat niet, geef je eraan over.” Op het moment dat ik zélf bijna omval, zeg ik tegen mezelf: “kom op, er zijn mensen die vier jaar lang niet doorslapen, wat zeur jij nou met je zes maanden gebroken nachten.” Of: “Hoezo, na zes maanden bijna omvallen omdat de borstvoeding alle energie uit je zuigt? Sommige vrouwen doen dit jarenlang, het hoort er ook een beetje bij hoor.”

Echt onaardig, als je er eens dieper over nadenkt. Dus heb ik de vermoeidheid deze maand maar gewoon toegelaten. Met als resultaat dat ik vermoeider en chagrijniger was dan ik ooit ben geweest. Kortaf. Ontevreden. Snel geïrriteerd. Emotioneel. Ronduit onvriendelijk tegen mijn wederhelft die ook alleen maar zijn best deed. 

Ik nam een weekje vrij om bij te tanken. Alsof je een half jaar slaapgebrek oplost met een weekje vrij van je werk, wat goed en wel beschouwd niet echt de oorzaak van je probleem is, maar juist een plek om even ‘Nikki’ te zijn, in plaats van mama a.k.a. de lopende melkmachine. Dat werkte dus niet. Maar het bracht me ook het inzicht dat ik graag werk. Dus in die zin werkte het ook weer wel.

Hoe dan ook: ik heb een groot deel van de maand een kuthumeur gehad. Maar door het te omarmen, begon ik in te zien dat het -net als peuters die alles wat je zegt, beantwoorden met ‘NEE’ of ‘LUST IK NIET’ – een fase is. Dit zijn die tropenjaren. Dit is de fase waarin je kleine kinderen, een gebrek aan slaap, werk en alles wat er verder nog in je leven speelt, moet zien te combineren. 

Da’s niet makkelijk. Maar dat mag soms best. Zolang het mooie het maar van het lelijke blijft winnen. En dat doet het bij mij gelukkig altijd. 

Ineens was mijn baby drie maanden. En dat betekende niet alleen het officiële einde van mijn zwangerschapsverlof, maar ook dat ik officieel op de helft ben van dat wat mensen om een of andere reden ‘het borstvoedingsavontuur’ noemen. Ik heb namelijk een deadline gesteld aan borstvoeding geven. Een half jaar en dan is het klaar.

Borstvoeding is heel goed voor baby’s, dat word je al verteld als je nauwelijks weet dat je zwanger bent. Levende cellen, proteïnen, aminozuren, enzymen, antistoffen, vitaminen en mineralen: het zit er allemaal in. En nog mooier: het past zich aan aan wat de baby nodig heeft. Baby ziek? Hop, moedermelk met extra antistoffen. Best vet. Bovendien vind ik borstvoeding geven, als het allemaal loopt, ook best wel makkelijk en vooral heel knus. Maar vind ik borstvoeding geven ook gewoon een opoffering. Eentje die ik met liefde doe, maar die ik geen jaren vol kan of wil houden.

Bij de eerste vond ik borstvoeding de eerste weken verschrikkelijk. Ik overwoog minimaal tien keer per dag te stoppen, maar ik móest het van mezelf een serieuze kans geven van minimaal zes weken. Daarna ging het makkelijker en heb ik haar zelf gevoed tot ze bijna een half jaar was. En hoewel ik dacht dat ik die laat-dit-stoppen-fase bij de tweede over zou slaan, omdat ik wist waar ik het voor deed, bleek niets minder waar. Ondanks het feit ik dit keer niet met een tepelhoedje hoefde te voeden en de voeding eigenlijk direct best aardig liep, heb ik ook bij de tweede meerdere keren op het punt gestaan om ermee te stoppen, in die eerste weken.

Maar ik wist: daar krijg je spijt van. En daarom heb ik mezelf ook dit keer deadlines gesteld. Ik moest het zes weken volhouden, dan mocht ik het opnieuw bekijken en eventueel stoppen als ik het nog steeds zo erg vond. En daarna met drie maanden nog eens. Inmiddels, dankzij de hulp van een lactatiekundige en een goede osteopaat, gaat het eigenlijk behoorlijk vlekkeloos. Ze drinkt een keer of 8 per dag, vraag en aanbod zijn in balans en we vinden het allebei gezellig.

En toch gaan we over drie maanden langzaam afbouwen naar flesjes. Want tegen die tijd wil ik mijn lijf weer terug. Da’s heel egoïstisch, maar ik vind borstvoeding geven naast goed en gezond ook gewoon een slopende bezigheid. Ik ben moe, ik blijf vol met hormonen zitten waardoor mijn gedachtes als een soort mist door mijn hoofd zweven, ik moet eten als een bootwerker om niet heel veel af te vallen en alle vezels in mijn lijf doen gewoon pijn.

En hoewel je volgens de WHO de eerste twee jaar borstvoeding zou moeten geven, is een half jaar ook heel mooi. Daarna mag ze verder groeien op flesjes. En dat vindt ze vast ook heel lekker. Wat ik maar wil zeggen: welke keuze je ook maakt, het is goed, zolang je je er zelf uiteindelijk goed bij voelt. Vanaf het begin kunstvoeding geven maakt je geen slechte moeder, zes weken borstvoeding geven en daarna overstappen is ook prima, als je aan borstvoeding begint hoef je dat niet direct twee jaar vol te houden en je hoeft het ook niet per se het mooiste ter wereld te vinden. Als je kind maar groeit. En een blije moeder heeft. Daar gaat het om.

“Vanaf nu heb ik nooit meer zwangerschapsverlof,” zei ik tegen mijn wederhelft. Voor zwangerschapsverlof moet je namelijk een kind dragen en daarna baren en dat wil ik allebei nooit meer doen. We zijn compleet zo: hij, ik en onze twee meisjes. Maar terwijl ik een tas inpak met alles waarvan ik denk dat ons kleinste meisje het nodig heeft tijdens een middagje wennen bij de gastouder, voel ik toch een sprankje melancholie. Amper tweeënhalve maand oud en we sluiten al een fase af.

Toen mijn verlof begon, waren de bomen rood en goud. De blaadjes vielen eraf, ik kon nauwelijks meer lopen en het enige wat ik nog wilde, was de reallifesoap van Monica Geuze kijken in horizontale positie. We wachtten, we wachtten nog wat langer en ineens was ze daar. Sinterklaas sloegen we over, want we hadden wel andere dingen aan ons hoofd (heeft ze het wel warm genoeg – had ze nou net de linker- of de rechterborst – kan ik alsjeblieft een uurtje slapen terwijl jij even oplet – shit, heeft S. nou waterpokken?), het werd Kerst en 2021 en in dat laatste magische verlofweekend was er zelfs sneeuw en ijs. En ondertussen was ik al die tijd bij haar.

Een tijd waarin ik altijd wist of ze honger had of moe was en daar direct iets aan kon doen, de fase waarin ik ieder minisprongetje in haar ontwikkeling van dichtbij meemaakte. De fase waarin we midden op de dag samen op de bank konden liggen, mijn wang tegen die van haar en haar handje om mijn vinger. Waarin niemand er raar van opkeek dat ik om drie uur ’s middags nog in mijn pyjama liep en waarin ik soms wanhopig zocht naar manieren om ze allebei genoeg aandacht te geven.

Natuurlijk kunnen we al die dingen nog gewoon meemaken op de dagen dat ik niet werk, slaapt ze nog elke nacht dicht naast me en hoef ik nauwelijks iets te missen. Maar deze fase is nu echt voorbij. De fase die helemaal speciaal voor haar was. Ik ga dit nooit meer meemaken. Heb ik er wel genoeg van genoten? Ben ik niet te vroeg begonnen met werken? Het zijn de vragen waarvan ik wist dat ik ze aan mezelf ging stellen en toch heb ik er geen overtuigend antwoord op.

Alles is makkelijker met een tweede, beweren andere moeders. En dat is voor een groot deel waar. Ik heb niet gehuild toen ik haar overdroeg aan de gastouder. Maar dat melancholische gevoel lijkt alleen maar sterker te worden. Foto’s terugkijken als ze ’s avonds in bed liggen. Geen afstand kunnen doen van te klein geworden kleertjes. Me verwonderen over hoe haar grote zus in die vier maanden veranderd is van een zachte peuter in een echt kind, met kinderhanden die een schaar kunnen hanteren en voetjes waar een beetje eelt op zit. Er is ineens vergelijkingsmateriaal.

Alles is makkelijker, maar die tweede drukt je nog meer op het feit dat alles ook zo ongelooflijk snel gaat.

Nog twee uur en dan mag ik haar weer ophalen.

Dat gaat dan weer niet zo snel.

Ik zei het al eerder: wat mij betreft beginnen we vroeg met de kerstvoorpret dit jaar. En daarbij kan een adventskalender niet ontbreken. Die koop je tegenwoordig in alle soorten en maten, gevuld met bier, kaas, seksspeeltjes, sokken of ouderwetse chocolaatjes, maar ik vind het leuker om hem zelf te maken. En ik vind het nóg leuker om iets te maken waar je een paar jaar mee kunt doen. En zo kwam ik uit bij deze adventskalender die je jaar op jaar kunt gebruiken. Gemaakt van een overgebleven kastplank, de kersthuisjes van Albert Heijn die al een tijdje rondslingerden en een pakje knijpers. Ik maakte hem voor S., maar je kunt hem ook voor je zus, een vriendin, je lover of je moeder maken, natuurlijk. Hoewel het uitpakken nog even moet wachten tot 1 december, zorgde het maken en vullen van de kalender bij mij al voor instant bevrediging van mijn kerstkriebels.

Wat heb je nodig voor deze adventskalender?

  • Een grote houten plank. Ik had een kastplank over van mijn IVAR hack en die is ongeveer 80 x 50 centimeter.
  • 24 knijpers
  • Albert Heijn kersthuisjes
  • Schuurpapier
  • Lijmpistool + 4 patronen
  • Cadeaupapier, -zakjes of -doosjes (HEMA is your friend)
  • Cijfers 1 tot en met 24 (ook van HEMA)
  • Kleine cadeautjes (zie hieronder mijn inspiratie voor een adventskalender voor peuters)

De kersthuisjes van Albert Heijn zijn schattig, maar ook voorzien van spuuglelijke logo’s. Het goede nieuws: die logo’s schuur je er met een schuurpapiertje makkelijk vanaf. Daarna even goed afspoelen en afdrogen en je hebt een verzameling merkloze huisjes. Ik heb ze als een straatje onderaan de plank gelijmd met steeds een paar centimeter ertussen.

Daarna is het tijd voor het lastigste onderdeel: de knijpers verdelen over de plank. Ik begon in nette rijen, maar omdat ik niet echt een rekenwonder ben dat niet echt lekker uitkwam, heb ik ze uiteindelijk kriskras over de plank verdeeld. Ik heb erop gelet dat ik bij sommige knijpers ruimte had voor een wat groter cadeautje. Lijm ze goed vast, met de mooiste kant boven. Plak vervolgens de cijfers erop. Dat kun je op volgorde doen, maar ik heb ze door elkaar geplakt. Wat jij leuk vindt.

En dan het leukste onderdeel: cadeautjes zoeken, inpakken en verdelen over de kalender. Je kunt het daarbij zo gek maken als je zelf wilt. Van snoep tot echte cadeautjes, kleine boekjes of opdrachtjes.
Dit heb ik onder andere in mijn adventskalender gestopt:

  • Kleine chocolaatjes in de vorm van lieveheersbeestjes
  • Houten kersthangertjes (HEMA) om in haar eigen boompje te hangen
  • Een flesje voor haar pop
  • Haarspeldjes
  • Ringetjes (Action)
  • Kleivormpjes
  • Kerstsokken
  • Stickers
  • ‘Opdrachtkaartjes’ voor o.a. koekjes bakken
  • Doosje rozijntjes

Daarbij heb ik erop gelet dat activiteiten op vrije dagen of in het weekend vallen en dat de chocolaatjes een beetje verdeeld zijn over de maand, want elke dag chocolade eten mag mama alleen vind ik ook in december niet nodig. Ik heb in het achterhoofd gehouden dat het op deze leeftijd vooral om het idee van een cadeautje uitpakken gaat, dus dat het niet nodig is om er hele grote of dure presentjes in te doen. Een doosje rozijntjes is ook nog leuk, als je twee bent.

En zo ziet hij eruit: klaar voor december. Na de 24e gaat hij weer de berging in en volgend jaar kan hij gewoon weer hergebruikt worden. Natuurlijk kun je alle kanten op met deze adventskalender: je kunt de plank schilderen, de knijpers vervangen door metalen klemmetjes, er spijkers inslaan om daar cadeautjes aan te hangen, de huisjes vervangen door plastic beestjes… Ik denk dat ik hem in december nog extra ga versieren met een streng kerstlampjes door de huisjes heen, dat maakt ‘m nog feestelijker. Maar eerst tellen we nog even af naar de adventsperiode (funfact: als je vandaag aan een adventskalender begint, ben je op 1 december klaar en kun je een nieuwe open gaan maken ;-)).