Category

Mama

Category

Hoewel ik over het algemeen probeer om me er weinig van aan te trekken, doe ik soms nog steeds dingen omdat ik denk dat ze zo horen. 4 dagen werken van 9 tot 17 bijvoorbeeld. Dat deed ik toen ik op kantoor werkte en dat ben ik als zzp’er gewoon blijven doen. En omdat maandag en donderdag nu eenmaal mijn werkdagen zijn, regelden we op die dagen buitenschoolse opvang voor de kleuter.

Een leuke plek, waar veel buiten gespeeld werd en ze gewoon lekker aan kon klooien tot ik om 17 uur besloten had dat ik mijn laptop dicht kon doen en haar kwam halen. Om daarna vanuit de buitenschoolse opvang door te fietsen naar de gastouder om het kleinste kuiken op te halen en rond kwart voor zes eens te beginnen aan een poging om om zes uur het eten op tafel te hebben.

Leuk bedacht.

Maar in de praktijk kreeg ik van de school én van de opvang rond half 4 berichten (ik ben er nog niet over uit of ik al die apps waarmee je je kind min of meer realtime kunt volgen nu fijn vindt of niet, trouwens) dat mijn kleuter niet blij was. Ze wilde naar mama. Naar huis. Gewoon even lekker niks doen in plaats van na een hele dag op school óók nog eens leuk moeten doen in een andere groep op een andere plek.  Dus klapte ik om kwart voor vier de laptop zuchtend dicht, gooide mijn programma om en ging mijn kind halen.

‘Ze moet er nog aan wennen’, zeiden we tegen elkaar. ‘Het wordt vast snel beter.’ We zouden het nog even aankijken. Tot ik me bedacht dat dit helemaal niet hóeft. Ik ben verdorie zzp’er. De enige die écht van mij verwacht dat ik van 9 tot 17 werk, ben ikzelf.

Ik kan ook gewoon van 8 tot 15 werken, als mijn wederhelft ze wegbrengt. Of van 7 tot 15, dan heb ik helemaal een lange dag. Ik kan mijn agenda een beetje anders inplannen, zodat ik na 15 uur niemand meer hoef te spreken en misschien zelfs wel niets meer hoef te doen. En dan kan ik gewoon om 15:15 op dat schoolplein staan, hoeft mijn kind niet naar de bso en kan ze gewoon thuis lekker zitten verwerken wat ze die dag allemaal meegemaakt heeft, als kersverse kleuter.

Dus dat hebben we gedaan. De buitenschoolse opvang is opgezegd en voortaan werk ik op maandag en donderdag tot 15 uur. Meer rust, meer gezelligheid in huis (iedereen die wel eens heeft geprobeerd een redelijk gesprek te voeren met een oververmoeide kleuter weet wat ik bedoel) én als kers op de taart meer tijd om iets lekkers te koken.

Komen we misschien ook ooit nog eens van de eeuwige doordeweekse riedel spinaziepasta – wraps – spaghetti af.

Toen ik vertelde dat ik in mijn eentje ging kamperen met mijn twee kinderen van 1 en 4, reageerden veel mensen met dat het ze heel veel gedoe leek. Ze wensten me veel sterkte. Inmiddels ben ik weer terug en hoewel er inderdaad gedoe was, was het hoofdzakelijk heel erg leuk. Dus daarom dacht ik: ik deel eens een paar tippies.

Kijk, kamperen is per definitie gedoe. Je levert al het comfort van je huis in voor een tent, alle dagelijkse dingen duren zes keer zo lang en je loopt je het ongeluk voor water, wc’s en andere eerste levensbehoeften. Maar ik vind het heerlijk, dat geredder rondom zo’n tent, wakker worden onder een tentdoek, hele dagen buiten zijn. Dat alle dagelijkse dingen zo lang duren, zorgt er ook voor dat je eigenlijk perfect afgestemd bent op het tempo van jonge kinderen. Die nemen ook graag overal hun tijd voor. Dus ging ik gewoon. In mijn eentje, met de meisjes.

Hieronder vind je een lijstje tips en dingen om aan te denken voor het geval je ook zoiets overweegt. Want echt: het is het waard.

Ga niet te ver van huis
Je eigen huis, of dat van je ouders, ofzo. Ik had een plek gereserveerd op camping De Gouwe Stek in Hoogkarspel. Dat ligt een kwartier bij mijn ouders vandaan, dus in geval van nood had ik altijd een back-up. Dat bleek heel fijn toen het ineens 39 graden werd: toen zijn we een dagje gevlucht naar de achtertuin en de koele slaapkamers van het ouderlijk huis. En toen het een hele dag regende, zijn we lekker droog daar gaan eten. Bovendien hielpen mijn moeder en zusje een handje met het opzetten van de tent en kwamen ze een paar keer op visite.

Kies een kind- en oudervriendelijke camping
Ik hou niet van enorme campings met animatie en meer van zulks, maar wel van campings waar ook andere ouders met kleine kinderen zijn. Want dat betekent – als je een beetje mazzel hebt -, dat er ook andere ouders zijn die even een oogje in het zeil kunnen houden. Of, nog beter: dat je kind vrienden maakt en je zelf in de zon kunt zitten met een boek! Wij stonden deze vakantie tegenover een gezin met twee meisjes van dezelfde leeftijd als mijn meiden en dat was heel fijn. De kindjes speelden samen en hun moeder kon toezicht houden als ik even alleen naar de wc wilde.

Voel je niet te bezwaard over gehuil
Dit is niet per se een tip voor solo-kamperende ouders, maar voor ouders van jonge kinderen in het algemeen. Kinderen huilen op de meest onmogelijke tijden. En ondanks dat alle kinderen dat doen, voel je je toch een beetje bezwaard over onbedaarlijk gekrijs over de camping om half vier ’s nachts. Dan kom ik weer terug op punt 2: kies een camping met veel ouders in datzelfde schuitje. En realiseer je dat zeker caravankampeerders eigenlijk amper iets horen van wat er in de tent naast hen gebeurt. Het gehuil van je eigen kind klinkt altijd het hardst.

Maak het jezelf zo makkelijk mogelijk
Elke dag alle gaspitten in gebruik om een gezonde maaltijd te koken? Welnee. Patat halen, een avondje eten bij mijn ouders, wraps, een avondje pizza en spaghetti, dat was het weekmenu. Het is vakantie, we overleven het ook wel als we niet de hele schijf van vijf volmaken. Dit gold overigens ook voor douchen.

Lage verwachtingen maken alles leuker
Het wordt geen week waarin je tijd hebt om een kwartier te douchen, sterker nog: ik heb geen één keer in mijn eentje kunnen poepen. We deden bijna alles met zijn drietjes en dat was ook wel zo gezellig. Meebewegen met een mopperende kleuter, een dreumes die de slaap niet kan vatten, je eigen geduld dat op een gegeven moment op is omdat je gierende hoofdpijn hebt omdat je in de bloedhitte wel voor je kinderen gezorgd hebt, maar zelf vergeten bent te drinken (ik zeg maar wat. Ohnee, dit was echt zo): het is er allemaal, net als thuis. En da’s prima. Verwacht er niet te veel van, dan zijn alle mooie momenten extra fijn.

Neem niet te veel speelgoed mee van thuis
Een bal, wat Duplo en de tekenspullen, meer hadden we niet mee. Ze spelen er toch niet mee. Wat wél leuk is, is om halverwege de vakantie, op een regenachtige middag naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum (of de kringloop) te gaan en daar samen iets nieuws uit te kiezen. Een paar euro voor een doosje Lego en een babypopje met een flesje en er werd weer volop gespeeld.

Neem dingen mee om ’s avonds te doen
Met een beetje geluk slapen de kinderen op een gegeven moment (op avond 1 om 22 uur, daarna om 20:30 en de derde avond was ik om 20 uur al kindloos) en heb je nog een hele avond voor jezelf. Ik had dus onbeschaamd mijn laptop mee, ondanks dat dat misschien een beetje gek is op de camping, en heb lekker zitten werken en bloggen. Glaasje wijn erbij, bakkie chips: feest voor mama. En dan daarna alsnog vroeg naar bed. Chill.

Denk veel vooraf na
Douchen met drie kinderen in een campinghokje? Allemaal zo weinig mogelijk kleren aan, een praktische tas om het hoognodige in te vervoeren en twee badcapes om ze mee af te drogen en warm naar te tent te brengen. Het is maar een voorbeeldje, maar kamperen in je eentje betekent dus dat je soms even goed moet nadenken over de aanpak van iets heel sufs voordat je eraan begint. Onderdeel van het gedoe. Heerlijk.

Enfin, wij hebben echt een heerlijke week gehad. De dynamiek tussen ons drieën was fijn, we hebben ons prima vermaakt met weinig en als je je instelt op superslechte nachten en ze zijn gemiddeld gezien medium tot goed, valt eigenlijk alles mee. Durf jij het aan? En als je het aandurft, wat is jouw ultieme tip?

Sinds haar kleine zusje geboren is, doen de oudste (3,5) en ik bijna nooit meer iets met zijn tweeën. Waar we voorheen altijd samen op stap waren, moet ze de aandacht nu altijd delen met haar kleine zus. Of we splitsen het gezin op, waardoor ze alleen met haar vader is, want meestal gaat ‘de baby’ met mij mee. Het voelde alsof we langzaam uit elkaar groeiden, mijn oudste en ik. De band die in haar eerste tweeënhalf jaar zo vanzelfsprekend was, begon een beetje te scheuren. Het werd papa boven mama. En dat doet best een beetje pijn.

Maandagavond bedacht ik me waar het aan lag: we waren in geen maanden met zijn tweetjes op stap geweest geweest. Er is altijd een klein zusje dat ervoor zorgt dat we niet een hele dag van huis kunnen, dat ook aandacht wil, dat moet slapen. Het was tijd voor een dagje volle aandacht. En een uitje, want daar knapt onze extravert altijd enorm van op.

Dus terwijl papa thuis bleef met kleine zus, gingen wij samen op pad. Zij en ik. Zoals dat vroeger ook was. Maar dan niet naar de plaatselijke kinderboerderij, maar naar een Andere Stad. Met de trein. Eerst met de bus naar het station, wachten op de trein, met de trein naar Utrecht, lopen langs de grachten, naar het nijntje museum, een pannenkoek eten en toen weer terug met de trein en bus.

De trein was spannend, dus ze wilde op schoot en we keken samen uit het raam. We hadden alle tijd om voor te lezen uit het heerlijke sprookjesboek van Paul Biegel, zonder dat zus erdoorheen schreeuwde. In Utrecht leek het lente, er voer een schip door de gracht dat het oud papier ophaalde, het nijntje museum was leuk en interactief en na een eerste rondje langs alle onderdelen aten we een taartje en gingen nóg een keer. We hadden de tijd voor onszelf.

Ze mocht een cadeautje uitzoeken in de museumshop en was intens gelukkig met een sieradenkistje met een muziekje en een draaiend nijntje. Ze zocht een cadeautje uit voor haar kleine zusje. De pannenkoek na afloop was groot en voorzien van Smarties, het restaurant had een poes die onder onze tafel kwam zitten. De peuter huppelde en zong en wilde af en toe een stukje getild worden, maar liep daarna weer zelf mee. Zingend.

Ze genoot. En ik ook.

Misschien nog wel het meest toen ze op de terugweg weer bij me op schoot kroop en, net zoals ze deed toen ze nog heel klein was, in een diepe slaap wegzakte.

Afgelopen maand heeft onze jongste een dubbelblinde koemelkprovocatietest gehad in het ziekenhuis. Ik had er tot een paar weken geleden nog nooit van gehoord en toen ik online naar ervaringen zocht, vond ik er niet zo heel veel recente. Vandaar dus dit blogje met onze ervaringen en tips. Wellicht heeft iemand er iets aan!

Eerst even een beetje achtergrond: onze jongste spruit ging als klein baby’tje niet altijd even lekker. Ze had flinke reflux, overstrekte zich bijna permanent en zat helemaal onder de rode pukkeltjes in haar gezicht. Ze huilde niet veel, maar je zag dat er ‘iets’ was. Toen ik na een tip van de osteopaat stopte met koemelk en dat dus ook niet meer terug te vinden was in mijn borstvoeding, verdwenen de klachten. Dat was dus duidelijk: ze kon niet tegen koemelk.

Ik heb het eens aangestipt bij het consultatiebureau zodat er een aantekening in haar dossier zou komen en haar zelf koemelkvrij gevoed tot ze zeven maanden was. Toen wilde ik de borstvoeding gaan afbouwen en ben via het consultatiebureau bij de kinderarts beland. Hij hoorde mijn verhaal aan, vroeg of ik zelf al had geprobeerd of ze nog steeds last had (dat had ze, want nadat ik per ongeluk iets gegeten had met melk heeft ze een nacht lang geschreeuwd) en besloot toen dat ze een machtiging kreeg voor Nutrilon Pepti. Daar deed ze het hartstikke goed op. Sindsdien krijgen we maandelijks een voorraadje opgestuurd. Maar Pepti is duur (30 euro per blik) en daarom wil de verzekeraar zo rond de eerste verjaardag graag een provocatietest zien: bewijs dat het nog wel echt nodig is om die dure blikken te blijven vergoeden. 

Bij een dubbelblinde koemelkprovocatietest moet je twee dagen naar het ziekenhuis komen. Op de ene dag krijgt je kind voeding zonder koemelk, op de andere dag mét koemelk. Wat ze wanneer krijgt, weten zowel de ouders als de verpleegkundigen niet, zodat je zo objectief mogelijk je kind observeert. Om de risico’s niet al te groot te maken, krijgt je kind niet in één keer een complete fles, maar de hoeveelheid melk wordt in zes stappen opgevoerd. Het begint bij 10 cc, dan 20, 40, 60 en tot slot 80 cc melk, telkens met tussenpozen van zo’n twintig minuten. Tussen de twee testdagen zit meestal een week en daarna volgt er een (telefonische) afspraak met de kinderarts om de uitslag te bespreken. Hij opent dan ook de envelop waarin staat wanneer je kind welke melk gehad heeft. 

Dag 1
Vroeg opgestaan, zodat mevrouw voor 7 uur een licht ontbijtje kon eten. We moesten ons namelijk om 9 uur melden op de kinderdagopname en dan mocht ze twee uur niets gehad hebben. Eenmaal op de afdeling kregen we een kamer toegewezen met een bedje voor L. en een stoel voor mij. Na een check van haar temperatuur, gewicht en huid gingen we direct van start. De fles werd meegenomen en kwam terug met 10 cc melk. Dat is om precies te zijn anderhalve slok. Anderhalve slok melk zorgt voor een héle boze baby.

De fles werd weer meegenomen en kwam later weer terug met twee slokken melk. Zo ging dat door van 9:00 tot 10:45. Ondertussen kon ze een beetje spelen in haar bedje, was ze erg druk met op handen en voeten de wereld ondersteboven bekijken en hebben we alle Sinterklaasslingers op de kamer grondig bestudeerd. Ze was vrolijk, vond alle verpleegkundigen hartstikke gezellig en vermaakte zich prima. Na de laatste voeding moesten we nog een uurtje blijven ter observatie en om 11:45 liepen we alweer naar de fiets. Ik had me voorbereid op een hele dag onder de pannen met een huilend kind, dus dit viel me alles mee. Thuis heeft ze lekker een boterham gegeten, nog wat water gedronken en ruim tweeënhalf uur geslapen om bij te komen van alle indrukken.

Het effect van deze testdag? Nul. Nada. Ik denk dat ze op de eerste dag de koemelkvrije voeding gehad heeft. Ze heeft geen enkele reactie gegeven, ook niet in de 24 uur na de test. Ze sliep wel door en dat gebeurt niet vaak. 

Dag 2
Dag 2 hebben we twee keer uitgesteld. Eerst omdat ze niet fit was en de tweede keer omdat de test tegelijk viel met de inentingen. Maar drie weken na de eerste dag meldden we ons weer om half 9 in het ziekenhuis. Ze werd getemperatuurd en we gingen meteen aan de slag met 1 slok. Dat werd opgevoerd en ergens bij de vierde keer zag ik dat haar wang wat rood werd. Ze was doodop omdat ze de hele nacht had lopen spoken en weigerde natuurlijk een dutje te doen, dus de verpleegkundige besloot het tempo een beetje op te voeren, zodat we om half twaalf alweer naar huis konden, met de belofte dat ik haar goed in de gaten zou houden. Heel fijn.

Nu had ik al wel het vermoeden dat ze de eerste dag haar normale voeding gehad had, omdat ze niet reageerde, maar toen ik de flesjes van dag 2 rook wist ik het zeker. Pepti heeft een heel typisch luchtje en dit rook gewoon naar flesvoeding. Haar rode wangetje trok in de loop van de dag weer weg, maar rond 21:30 begon het Grote Huilen. Buikpijn. Zó zielig. Maar tegelijkertijd ook lekker duidelijk: koemelk is nog steeds geen succes.

De uitslag
Vrijdagmiddag belde de kinderarts om de test door te spreken. Ik mocht raden welke dag ik dacht dat ze melk had gehad en hij bevestigde dat het inderdaad de tweede dag was. Omdat ze inmiddels al 1 is en we nog 18 blikken Pepti hebben staan, laten we het hier nu even bij. Als we over een half jaar door de voorraad heen zijn, is ze oud genoeg om gewone plantaardige melk te drinken. En de kans is groot dat het tegen die tijd wel weg is. Af en toe voorzichtig blijven proberen, was het advies. Via het consultatiebureau heb ik inmiddels een fijne kinderdiëtiste aangeraden gekregen die ons hierbij kan helpen. Want na die tweede testdag durf ik voorlopig even niet meer.

Wat is handig om mee te nemen voor een provocatietest?

  • Je luiertas met luiers, schone kleding en een hydrofiel
  • De eigen fles van je kind om de voeding in te geven
  • Iets te spelen en wat boekjes. Er was wel een speelkamer, maar i.v.m. corona was het verzoek om zoveel mogelijk rondom het bed te blijven, dus daar zijn we niet geweest. Op deze leeftijd kun je ze nog prima vermaken met 80 keer kiekeboe achter een hydrofiel, flapjesboeken en duplopoppetjes, dus dat was geen probleem.
  • Iets te knagen waarvan je weet dat je kind er geen last van krijgt. Ik had een soepstengel mee om de observatieperiode een beetje gezellig te houden.
  • Draagzak
  • Telefoon en oplader
  • Iets te lezen voor jezelf 
  • Een fles water en wat te eten voor jezelf

Als jonge ouder frequenteer je de kinderboerderij. Het is namelijk een relatief makkelijk te realiseren uitje met bijna-altijd-goed-garantie. Zeker in het geval van de jongste, die net 1 is en iedere schurftige kip en depressieve geit nog met een enthousiast “DIE! AAI!” begroet. De oudste begint inmiddels wat geroutineerder te worden, maar ook haar kun je nog wel blij maken met konijnen, varkens, ezels en, bonuspunten, pony’s (maar eigenlijk hebben we in Zwolle bijna geen kinderboerderijen met pony’s. Ze hebben wel allemaal minimaal 2 ezels. Zou dat beleid zijn?). 

Gisteren -maandagochtend- stonden we er weer. Voor mijn eigen mentale welzijn was ik dit keer eens naar een ándere kinderboerderij gefietst, aan de andere kant van de stad. Het maakt de kinderen werkelijk geen reet uit, maar ergens rond het vierde kinderboerderijbezoekje in één week, heb ik zelf echt even wat afwisseling nodig. Even wat andere geiten om naar te loeren. Bovendien heeft die kinderboerderij aan de andere kant van de stad koffie. En een grote speeltuin.

Een kinderboerderij op een grijze maandagochtend in december is precies wat je ervan verwacht. Een handjevol ouders, een oppasoma en een stuk of acht koters onder de 4. Iemand was zo slim geweest om een doek mee te nemen om de speeltoestellen droog te wrijven. De kinderen speelden, zoals ze dat over het algemeen doen, volledig langs elkaar heen, waarbij ze af en toe een poosje zwijgend naar elkaar staarden om vervolgens weer door te gaan met glijden/schommelen/een gat graven. De ouders wisselden blikken van herkenning boven oranjegeruite kantinebekertjes. Af en toe greep er eens iemand in als het té fysiek dreigde te worden rondom de traptrekker of wanneer een dreumes zich tegoed deed aan handenvol zand. Bij een schreeuw kwamen we kijken, duwden een schommel en veegden een snotneus. En verder zaten we daar, zwijgend. Ieder met z’n eigen gedachten. Genietend van even niet entertainen, maar de speeltuin en de geiten het werk te laten doen.

Rondom de dieren scharrelden wat leerlingen van de praktijkschool, aangestuurd door een soort akela in een scootmobiel. In de speeltuin probeerde de peuter met losse handen over de wiebelbrug te lopen en bij de stal zat de dreumes, die nog niet loopt, op haar kont voor een caviaren. Ze probeerde de cavia’s er luidkeels van te overtuigen een stuk van hun sinaasappel te komen brengen, maar ze bleken niet erg ontvankelijk voor haar steeds dwingender “Die! Mmm! DIE??” We deden nog maar een rondje langs de andere dieren.

De varkens lagen te slapen onder een warmtelamp, het konijn deed een poging om zichzelf uit de ren te graven, de kippen waren opgehokt (‘Vanwege de vogel griep helaas’ stond er op het A4t’tje op het hok), er lag een geitje met een gipsen pootje in het stro, de parkieten zaten een beetje verkleumd op een stok en de ezels sjokten na een halfslachtige borstelbeurt van een meisje met paars haar en een jongen die de ezels niet eens zag, maar alleen maar oog voor háár had, terug naar hun hok. Binnen rende een hamster met een verstoord dag-nachtritme eindeloos rondjes in een piepend loopwieltje en zat een gekko onbeweeglijk voor zich uit te staren. Ze werden allemaal uitgebreid bekeken, benoemd en, als het even kon, geaaid.

Het was kwart voor twaalf. De kantinebekertjes werden verfrommeld, iedere ouder twijfelde even of dit nu ‘papier’ of ‘restafval’ was en er werden kinderen op fietsen en in wagens getild. Tijd om een broodje te gaan eten. Tijd voor een middagslaapje. Deze maandagochtend waren we weer doorgekomen.

Wij doen graag spelletjes (ik maakte ooit deze post over onze favoriete spellen en die klopt nog aardig, al zijn wel inmiddels ook overgestapt op de nieuwste Keer op Keer) en ik vind het dan ook heel leuk dat de peuter inmiddels ook de leeftijd (3,5) heeft bereikt dat ze openstaat voor een spelletje. Daarbij is enige flexibiliteit van onze kant omtrent de spelregels wel belangrijk, maar ook dat gaat steeds beter. Inmiddels kunnen we ook het ongunstige deel van de regels (op je beurt wachten, een beurt overslaan, een steentje terug moeten leggen) redelijk overbrengen, zonder dat het spelbord per direct van tafel gemaaid wordt. Kortom: ze groeit en ze leert. En ik kan niet wachten tot we samen kindermonopoly kunnen spelen. Tot die tijd vermaken we ons met onderstaande leuke spelletjes.

Eenhoorn Flonkerglans
Lange tijd stond Eenhoorn Flonkerglans bij ons synoniem voor een woede-aanval, maar sinds een paar weken gaat het echt heel goed en blijkt het een heel leuk spel te zijn. Het is een superroze spelletje van het Duitse merk Haba en de bedoeling is overzichtelijk: als eerste met je eenhoorn bij de finish komen met zoveel mogelijk diamantjes in je bezit. Daarvoor gooi je eerst met een dobbelsteen die aangeeft of je 1, 2 of 3 wolkjes vooruit mag en als je dan op een roze wolkje belandt, mag je nog een keer gooien met een andere dobbelsteen voor het aantal diamantjes dat je verdiend hebt. Verder kun je nog diamantjes weggeven (geen populair concept bij de peuter) en moet je soms een beurt overslaan. Die twee dobbelstenen maakten het in het begin nog wel eens lastig, maar vanaf een jaar of 3,5 is het goed te begrijpen. Het leukste vind ik dat de diamantjes echt felroze fonkelende steentjes zijn, maar ik ben diep van binnen ook nog steeds een peuter.

Kleurentorentjes
Kleurentorentjes van Jumbo spelen we al ruim een jaar en blijft leuk. Het is heel simpel: je gooit met een kleurendobbelsteen om gekleurde kraaltjes op een stokje te rijgen. Als je een kleur gooit die je al hebt, moet je een beurt overslaan. Duurt niet te lang, is makkelijk mee te nemen en het leert ze kleuren herkennen. Enige nadeel is dat de kralen van levensgevaarlijk formaat zijn voor de baby, dus het moet echt aan tafel gespeeld worden en ik tel angstvallig alle kraaltjes na als we klaar zijn om zeker te weten dat ik er straks niet eentje uit een luchtpijp moet heimlichen.

Memory
Good old memory. Ik weet nog dat wij hem vroeger thuis met Disney-figuren hadden. Die is helaas ergens gesneuveld, maar in plaats daarvan hebben wij een variant met gezichtjes die ik ooit bij Flying Tiger heb gescoord. De peuter vindt het geweldig. En ze is er ook verrekte goed in trouwens. We begonnen ooit met 6 setjes, om het niet te lastig te maken, maar inmiddels zitten we op een stuk of 12 en dat gaat ook heel goed. Bij de peuter dan. Ik word elke keer weer geconfronteerd met mijn mom brain.

Kroko Loko
Kroko Loko is óók een soort memory, maar dan nog leuker. Je bent een krokodil en je hebt honger, dus je moet kaartjes scoren waarmee je steeds groter wordt. Dat doe je door de dobbelsteen te gooien. Daarop staat of je een land-, lucht- of waterdier mag pakken. Je draait een kaartje om en als daar de juiste diersoort opstaat, mag je hem aan je krokodil toevoegen. Superleerzaam, want het leert kinderen welke dieren waar leven én ook weer zeer goed voor het geheugen. Degene met de langste krokodil wint. En dat is altijd de peuter, gek genoeg.

Dit zijn de vier populairste spelletjes bij onze peuter. Hiernaast spelen we ook nog wel eens Wij ruimen op (ook van Haba), maar daar begint ze een beetje te oud voor te worden. En ze wil ook altijd graag schaken met haar vader. Ze kent alle stukken inmiddels bij naam (ze weet nu al meer dan ik) en mijn wederhelft probeert haar nu de toegestane zetten te leren, maar voordat ze in de Queen’s Gambit schittert, zijn we nog wel een paar jaar verder. 

Zijn jullie ook van die spelletjesfans?

‘Het blijft niet zo’, zeg ik soms tegen mezelf als ik er even helemaal klaar mee ben. Als ik gewoon even niét voor wil lezen, geen vakantietje wil spelen, als ik even alleen naar de wc wil en geen zin heb om eerst een kwartier bezig te zijn met onderhandelen, jassen aan, laarzen zoeken en mutsen over mopperende hoofden trekken voordat we überhaupt eens een keer de deur uit zijn. Als ik om half drie ‘s nachts zuchtend mijn voeten op de koude vloer zet om een verloren speen terug te halen, te sussen en fluisteren dat het nog geen ochtend is. Als ik voor de derde keer op een ochtend een boterham sta te smeren waarvan ik weet dat ‘ie maar half opgegeten wordt. 

Als er geschreeuwd wordt om nog een hapje maar mama écht eerst moet blazen omdat het nog zo warm is, schatje. Als ik de godganse dag in de derde persoon over mezelf blijk te praten ondanks alle goede voornemens dat niet te doen. Als de net gepoetste wc binnen tien minuten doorweekt is met laten we hopen dat het water is. Als ik ondanks alle goede voornemens om ons huwelijk altijd bovenaan de prioriteitenlijst te laten staan, avond aan avond in slaap val op de bank zonder ook maar iets van romantiek. Als ik kortaf reageer op een peuter die eigenlijk niets verkeerd doet.

‘Het blijft niet zo. Ze zijn maar eventjes zo klein. De dagen zijn lang, maar de jaren zijn kort. Nog even en je verlangt naar deze periode, waarin ons gezin het middelpunt van de wereld is. Waarin er niemand anders bestond dan papa en mama. En okee, opa en oma en tantes en Paw Patrol. Maar waarin ze uiteindelijk altijd weer bij ons uitkomen. Probeer ervan te genieten, beweeg mee.’

Die eerste jaren van het ouderschap, ze zijn alles tegelijk. Loodzwaar en prachtig. Lachen en huilen. Overstromen van liefde en tegen de bank schoppen van frustratie. Engelengeduld en kortaf snauwen. Het duurt soms zo lang en tegelijkertijd weet ik dat het zo ga missen als ze eenmaal tien en twaalf zijn.

Ik zeg het omdat ik het anders soms even vergeet.

Onze gastouder is uit de running. Al twee weken en sowieso nog tot na de kerstvakantie. Onhandig, zeker nu ik in de laatste weken van het jaar nog even wil knallen, maar voor ons gelukkig niet onoverkomelijk. Ik ben als zelfstandig tekstschrijver flexibel en we hebben de beste opa’s, oma’s en tante die we ons maar kunnen wensen voor de meisjes. Maar dit scenario was er wel eentje waardoor we in eerste instantie voor een kinderdagverblijf kozen, toen we kinderopvang nodig hadden. In deze blog neem ik je mee in onze afwegingen en leg uit waarom we uiteindelijk toch voor een gastouder gingen.

Toen ik drie maanden na de geboorte van de oudste weer aan het werk ging, ging zij twee dagen per week naar een kinderdagverblijf. In een behoorlijk grote groep met kindjes tussen de drie maanden en drie jaar. De eerste weken ging het prima, maar na een tijdje merkten we dat er dingen waren waar wij niet zo blij van werden. Zo had ze vaak duidelijk een hele tijd met een vieze luier gelegen, was ze doodop omdat ze te weinig sliep, had duidelijk veel gehuild en zat altijd onder de etensresten en andere viezigheid.

Niet blij met het kinderdagverblijf
Daar hebben we een aantal keer iets van gezegd, maar we begrepen ook dat een kleine baby in een groep met oudere baby’s en dreumesen al snel het onderspit delft. Ik denk echt dat de leidsters hun uiterste best deden om de boel in goede banen te leiden, maar er moesten nu eenmaal veel luiers verschoond worden en veel kindjes vermaakt worden. Ze zijn toen iets meer aandacht gaan besteden aan het slapen, maar de rest bleef zoals het was. Omdat het personeelsverloop groot was, waren er bovendien elke keer andere gezichten op de groep. Kortom: we waren er niet echt blij mee, maar ik dacht ook ‘overal zal wel iets aan te merken zijn, het zal er wel bij horen.’

Op zoek naar iets anders
Een paar maanden later kochten we een nieuw huis aan de andere kant van de stad. Deze kinderopvang aanhouden zou een logistieke nachtmerrie worden en bovendien vroeg ik me steeds meer af of dit nu wel de goede keuze was, dus gingen we op zoek naar iets anders. We konden overgeplaatst worden naar een andere vestiging van ons huidige kinderdagverblijf, maar ik was inmiddels ook wel nieuwsgierig naar gastouderopvang. Wij hadden vroeger zelf vier dagen per week een oppas aan huis en daar heb ik alleen maar goede herinneringen aan. Maar ik had ook wel wat vragen: hoe weet je of je geen enge pedofiel treft, wat kost dit in vredesnaam en wat als je gastouder ziek is?

Gastouderbureau
Dus: op naar Google. Daar leerde ik dat de meeste gastouders via een gastouderbureau werken, via de organisatie gescreend worden en dat alle facturering en kinderopvangtoeslag ook via hen verloopt. Bovendien kan het bureau ook vervanging regelen, als dat nodig is. Ik plaatste een oproepje op de opvangmarkt van een de bureaus en kreeg volgens mij wel twintig reacties. Daarvan heb ik er met twee koffie gedronken, waarbij de ene echt meteen afviel en we bij de andere direct een goed gevoel hadden.

Kleinschalig en persoonlijk
Ze heeft een kleinschalig kinderdagverblijfje aan huis, dus vangt niet op in haar woonkamer. Hiervoor werkte ze jarenlang in de kinderopvang, dus ze heeft alle papieren, en ze is lekker vlot en nuchter. Met maximaal vijf kindjes tegelijk is er bovendien genoeg aandacht. En ook fijn: het uurtarief ligt op ongeveer de helft van het kinderdagverblijf. Een kanttekening is wel dat ze in de schoolvakanties gesloten is, maar omdat we dat steeds een jaar van tevoren al weten, kunnen we daar zelf ook rekening mee houden.

Beste keuze ooit
Wij waren meteen heel enthousiast. En ons kleine dametje van toen negen maanden ook. Die kwam veel relaxter thuis, sliep daar goed, werd op tijd verschoond en speelde heerlijk met andere kindjes. Altijd hetzelfde gezicht, een rustige overdracht aan het begin en het eind van de dag en volop speelgoed, boekjes en buitenspeelmateriaal. Dus toen kleine zus erbij kwam, waren we heel blij dat er nog een plekje vrij kwam. Een gastouder vinden wij echt veel fijner dan een kinderdagverblijf. Vooral de onze. Het enige nadeel: we zijn nu zo verwend met onze gastouder, dat ik geen vervanger wil omdat ik niemand goed genoeg vind… 😉

Ik ben geen achttien meer. Sterker nog: ik ben 31 en heb twee kinderen gekregen. En daarom ziet mijn lijf er ook niet meer uit als toen ik achttien was. Ik heb een moederlijf.

Moeder natuur was redelijk mild voor me. De striae bleef me op wat barstjes aan het einde van mijn zwangerschappen na bespaard, mijn buik slonk na een half jaar borstvoeding ongeveer terug naar dezelfde proporties en mijn borsten zijn niet gaan hangen, maar gewoon opgelost in het niets. Het kon erger. 

Maar toch ziet niets van mij eruit zoals het eruit zag. Het is zachter en een beetje voller. Dat vind ik niet zo heel erg, geloof ik. Maar wat me wel stoorde is dat ik zo’n ongelooflijk slappe hap geworden was. Vóór mijn eerste zwangerschap reed ik redelijk fanatiek paard. En hoewel er mensen zijn die beweren dat het paard al het werk doet, doet het echt een heleboel voor je lijf. Voor je core, met name. Tussen de twee zwangerschappen in deed ik weinig sportiefs en na mijn bevalling van vorig jaar (korte samenvatting: in krap 4 uur een baby van 4,5 kilo gelanceerd) bleef ik ook een poosje weg bij alles wat intensiever was dan een rondje wandelen. Maar ja, zo lang niksen, dat hakt erin. Conditioneel kom ik nog aardig mee (thanks to een huis met zes trappen), maar qua spierkracht en strakheid was het echt een drama. Dat moest anders. 

Dus vorige week volgde ik een proefles bootcamp. Dat leek me altijd vreselijk, onder leiding van zo’n schreeuwende instructeur jezelf afbeulen in de stromende regen op een of andere parkeerplaats. Maar goed, van klagen wordt je ook niet strakker, dus het moest maar. 

We vielen met ons neus in de boter, want de juf voorspelde een “lekker pittige training”. Daar was geen woord aan gelogen. Ik weet niet precies hoe vaak ik met een kettle bell gezwaaid heb en hoeveel miljoen lunges, squats en buikspieroefeningen ze me liet doen, maar ik was ge-sloopt. En ik moest tegelijkertijd toegeven dat het eigenlijk best lekker was. In de frisse buitenlucht een uurtje álles geven en dan tevreden naar huis. Ze schreeuwde trouwens ook niet tegen me, dat hielp enorm.

Ik heb vier dagen gruwelijke spierpijn gehad, maar ik heb geloof ik wel een nieuwe hobby gevonden. Deze winter ga ik lekker bootcampen. In weer en wind. En toen ik vanmorgen op een parkeerplaats in de stromende regen mijn oefeningen afwerkte, voelde ik me even best wel stoer. Want mijn moederlijf mag er zijn, maar dan wel een beetje sterker alsjeblieft.

Een paar dagen geleden werd ze 1. Mijn jongste baby. Het meisje dat me voor de tweede keer moeder maakte en dat zo heerlijk wonderlijk anders is dan haar zus. We vierden een klein coronababyproof feestje, met twee kleine groepjes visite (maar totaal meer dan 4, sorry Huug), slingers, ballonnen, een hysterische vegan taart (waarover later meer) en cadeautjes!

En die cadeautjes vond ik best een uitdaging: want wat vraag je in hemelsnaam voor de eerste verjaardag van je tweede? We hebben al heel veel speelgoed van haar grote zus en ook fietsjes, wobbels en loopwagentjes worden gewoon doorgegeven. Maar goed, veel van de dingen waar haar zus graag mee speelt, vindt ze niet leuk. Of ze vindt ze wel leuk, maar zuslief verdedigt ze met hand en tand #lotvandejongste. Dus is ze uiteindelijk gewoon schandalig verwend. Met veel tweedehands (want duurzaam) speelgoed en dingen die haar zus niks vond, maar voor haar wel weer heel leuk zijn. 

Met stip op 1: de ballenbak! Tweedehands gescoord via Marktplaats, zorgvuldig gepoetst en aangevuld met wat extra nieuwe ballen in kleuren die een beetje bij het interieur passen. Ze heeft er gisteren de halve dag ingezeten. Beetje smijten met ballen, poppetjes verstoppen: feest. En dit exemplaar is eigenlijk heel gezellig in het interieur.

Ook heel leuk zijn deze sensory blocks. Ik kocht ze via Marktplaats en hoewel het bouwen nu nog een beetje lastig is voor d’r, kun je er wel goed mee rammelen en door de gekleurde ruitjes heen kijken. Ze vindt ze heel mooi.

Muziek (lees: lawaai) maken is haar grote hobby. En omdat we dat natuurlijk aanmoedigen, kreeg ze dit muziektafeltje van Janod. Lekker rammen op de trommel en de bellen: kind blij, mama doof, top.

Twee dagen voor haar eerste verjaardag besloot ze eens voorzichtig te gaan staan aan de rand van de box. En hoewel we dus nog een eind verwijderd zijn van een echte wandeling, kreeg ze van opa wel een bon van een goede schoenenwinkel voor haar eerste schoentjes. Echt een heerlijk, praktisch topcadeau! En boekjes natuurlijk. Boekjes zijn altijd goed. De muziekboekjes van Clavis al helemaal, want ze zijn onverwoestbaar, niet zo luid en hebben mooie thema’s, zoals het Carnival des Animeux van Saint Saëns. En Eric Carle, love Eric Carle.

Deze ark van Playmobil 123 was ook een schot in de roos. Alle diertjes eruit halen, alles er weer in, alles eruit, alles erin, et cetera, et cetera. Ze weet ‘t nog niet, maar voor Kerstmis krijgt ze ook het woonhuis van Playmobil 123. Ik vind het heel leuk spul: net wat groter dan gewone Playmobil en onverwoestbaar.

Kortom: de speelhoek staat weer vol. En da’s helemaal niet erg, want ik gok zomaar dat we komende winter héél veel thuis zijn 🙂