Hun vader was al tuinder, dus het zit ze in het bloed, willen ze maar zeggen. De onofficiële toelatingscommissie van de volkstuinvereniging kijkt me aan vanuit plastic kuipstoeltjes. Kees en Jannie. Broer en zus.

Ze hebben er al veel van mijn generatie zien komen. Jong en druk, denken een volkstuin er even bij te doen. Kees zegt altijd: “Elke avond een uur of een hele zaterdag, pas dán heb je plezier van je tuin.” Jannie: “Maar ik snap ook wel dat jullie daar geen tijd voor hebben hoor; met je werk, vrienden, die social media.” Ze knikt naar mijn bakfiets: “en dan heb jij zeker nog kinderen ook.”

De volkstuin was van een vriendin. Ze is zwanger en hoe groter de buik, hoe minder puf om die tuin aan te pakken. Dus neem ik nu een veldje vol onkruid over. Tussen de brandnetels zijn nog een paar courgetteplanten te herkennen en in de hoek steekt een roestige schoffel uit de grond. “Je moet je nog wel even voorstellen aan Kees,” had ze gezegd, voordat ze naar de auto waggelde.

Ik was er ondertussen al volledig in gaan geloven. Zag me al staan, ontsnapt aan deadlines, kinderen en ons petieterige stadstuintje. Schoffelen in de avondzon, de zwaluwen om mijn hoofd, misschien een podcastje op. En daarna de oogst: meer courgettes dan we op kunnen, pompoenen voor de hele winter, misschien ook wel tomaten, al schijnen die lastig te zijn.

Jan gaat staan en wijst met zijn sjekkie: “Kijk, daar achter mijn aardappels -weet je hoe die eruitzien? Die met die witte bloemen, bedoel ik- tuint Tim. Dat is wel ons wonderkind hoor. Net zo oud als jij. Maar hém lukt het. De rest laat het onkruid okselhoog groeien en zien we nooit meer.” 

Er borrelde bewijsdrang in me. Maar ik ben nog niet teruggeweest.

Author

1 Comment

Reply To Alice Cancel Reply