Overmorgen wordt ze drie. Al drie. Pas drie. Onze kletskous, ons huppelende staartje, het meisje dat mij mama maakte.

Ze is lang voor haar leeftijd. En wijs, ook. ‘Ze kan zo meedraaien in groep 1’, merkte een vriendin op toen ik haar een filmpje stuurde van hoe ze de cijfers op een hinkelbaan opnoemde terwijl ze van steen naar steen sprong. Ze herkent de letters van haar eigen naam, van onze namen, van papa, mama, de katten, de oppas en als ze een letter tegenkomt die ze niet kent, vraagt ze ‘wie kennen we met deze letter?’. En dan onthoudt ze dat. Omdat ze dat leuk vindt.

Het zorgt wel eens voor verwarring bij andere kindjes. Qua lengte doet ze niet onder voor een vierjarige. Qua spraak ook niet. Maar sociaal gezien is ze echt nog maar een peutertje. Met alle onhandige peutermanieren die daarbij horen. Ze doet de grotere kinderen na en probeert ze bij te benen in hun spel. Maar als je het niet helemaal begrijpt, zijn kinderen meedogenloos. Het maakt haar niet uit. Ze kijkt ze nog even na en verzint dan zelf wel weer iets anders. 

Het is haar heerlijke onbevangenheid die me soms letterlijk aan het huilen maakt. Hoe ze zonder een spoortje gène met haar armen in de lucht meedanst bij een kinderoptreden. Hoe ze in haar Frozen-rok met zonnehoed en regenlaarzen naar de winkel gaat en glimt van trots bij iedere ‘wat zie jij er mooi uit’. Hoe ze zich vol overgave op een chocolade-ijsje stort. ‘s Ochtends nog even bij ons in bed kruipt, dicht tegen me aan. Ademloos kan luisteren naar boeken die we al honderd keer voorgelezen hebben. Hulpvaardig de ramen lapt (met ranja en een poppendekentje).

Ze geeft een geheel eigen invulling aan het grote-zussenschap. 

Knuffelen of helpen in bad doen? Nee bedankt. 

Hapjes geven? Gadver. 

Sokken uitzoeken voor de baby dan? Nou, vooruit. 

Ik vroeg me een tijdje af of ze haar zusje überhaupt aardig vond, maar dat antwoord kreeg ik bij het consultatiebureau. Ze moest mee naar de eerste vaccinaties omdat ik geen oppas had. Verdiept in Nijntje op mijn telefoon leek ze het gesprek over de baby niet te volgen. Tot de arts de twee injecties voorbereidde. Ze smeet de telefoon aan de kant en als ik haar niet tegengehouden had, was ze de arts te lijf gegaan. “NEE! NIET MIJN ZUSJE PRIKKEN!”, riep ze. Toen wist ik: het zit wel goed.

Ze is een echte peuter. De zoektocht naar autonomie en geborgenheid zorgt soms voor totale kortsluiting. Ze kan me tot het uiterste drijven met een halsstarrig ‘nee’ op iedere vraag en weet precies hoe ze ervoor kan zorgen dat we nog even terugkomen als ze eigenlijk al in bed ligt. Ze weigert een hap van haar eten te nemen zodra ik het waag er enige vorm van druk op te leggen en laat zich dramatisch schreeuwend op de grond vallen bij de geringste tegenslag. En ze heeft het geduld van haar moeder, wat onfortuinlijk uitpakt als je alles zelf wil doen.

Maar als ze dan ‘s avonds in haar bedje ligt, haar knuffel veilig onder haar arm en haar blonde haren uitgespreid over het kussen, ben ik de drama’s van de dag weer vergeten. Dan is ze weer dat kleine baby’tje dat mij op 5 juni 2018 mama maakte. Het meisje dat die hele hittegolfzomer lang maar één plek kende: op mijn borst. Dat van een baby in een dreumesje veranderde en van een dreumes in een peuter. Het meisje dat niet kan wachten tot ze eindelijk naar school mag. Maar tot die tijd, mag ze nog even lekker klein blijven.

Author

Write A Comment