Tag

wonen

Browsing

Gisteravond lagen we samen op de bank. Geen boek, geen tv, gewoon even kletsen. We hadden het over de huizen waar we allemaal gewoond hebben in de afgelopen twaalf jaar. Over ons eerste eigen huis, op de foto hierboven, met de gele bank waar we nooit helemaal oppasten met zijn tweeën. Dat we die plek soms wel missen, maar dat dat niet alleen te maken heeft met het huis, maar ook met de fase van toen. En dat dat nu eenmaal voorbij gaat, maar dat je van ieder huis ook weer iets moois meeneemt.

Even voor de achtergrond: ik was 19 toen we verkering kregen. Ik was in het jaar daarvoor verhuisd van Hoorn naar Zwolle, voor de studie. J. en ik waren klasgenoten, al in het eerste jaar van journalistiek, maar zagen elkaar nooit staan. Tussen dat eerste en tweede jaar beleefde ik een turbulente zomer waarin mijn verkering uit ging (en die van hem ook, bleek achteraf) en ergens tussen de start van het tweede collegejaar en de herfstvakantie sloeg de vonk over. Sinds 5 november 2009 zijn we een stel. Da’s dus al 12 jaar.

We woonden toen allebei in een studentenhuis. Ik in een oude boerderij in een buitenwijk van Zwolle. Met elf anderen. Huub. Sara. Sjaak. Frank. Michelle. En nog tal van anderen wiens namen je na verloop van tijd toch vergeet, ondanks de met wijn doordrenkte beloftes van ‘dit gaan we nooit meer vergeten’. Een geweldig huis, met als groot nadeel dat de diepgelovige huisbaas in het voorhuis woonde en geen liefhebber was van overnachtende vriendjes. Op straffe van ‘je vader bellen’. Nu was mijn vader daar vermoedelijk niet erg van onder de indruk geweest, maar toch nam ik het risico liever niet. Bovendien was het er nogal gehorig, met 1 gipsplaat tussen mijn bed en dat van de buurvrouw. Daarom was ik, toen de verkering serieuzere vormen aan begon te nemen, eigenlijk altijd bij J. Hij woonde in het smerigste studentenhuis dat ik ooit zag (ik denk echt dat een beetje bioloog in die keuken nieuwe schimmelsoorten had kunnen ontdekken), maar zijn kamer was groter én middenin de stad. Zonder bemoeizuchtige huisbaas. Met een apart slaaphokje.

Mijn tweede studentenkamer, met een knalroze muur, een knalblauwe muur en het volledige assortiment van Kitsch Kitchen.

Er kwam voor mij nog een ander studentenhuis tussendoor, die hierboven, maar na twee jaar besloten we dat we voortaan samen wilden wonen. Wonder boven wonder werden we al een maand na dat besluit ingeloot voor een huurappartement dat nog gebouwd werd en een half jaar later opgeleverd zou worden. En in de tussentijd sliep ik eigenlijk altijd in J’s studentenhuis. De keuken was daar ondertussen gerenoveerd, maar verder wis je 40 jaar studentenbewoning niet zomaar uit. De muizen renden over de leidingen langs het plafond, de douche liep meestal niet door en op blote voeten lopen was zeker in de gezamenlijke ruimtes een slecht idee. En toch was het een fijne plek. Het sneeuwde die winter veel en wij zaten daar, voor de vermoedelijk levensgevaarlijke gaskachel, samen op 25 vierkante meter een beetje verliefd te zijn. En onze scriptie te schrijven, Knorr Wereldgerechten te eten en vooral heel veel chips, bier en Ben & Jerry’s weg te werken. In gezelschap van inmiddels twee katten, onder het mom van muizenbestrijding.

In de zomer van 2012 verhuisden we, met de katten, naar het spiksplinternieuwe appartement. Het was enorm in vergelijking met de studentenkamers en ineens moesten we dingen kopen als PAX-kasten, een afzuigkap en eettafel. Geen vaatwasser, want we hebben het tot ons vorige huis volgehouden om met de hand af te wassen. De kinderen waren er toen nog lang niet, zelfs de wens bestond nog niet. We werkten allebei en haalden ondertussen de laatste vakken van de opleiding, gingen op stap en sportten veel. We studeerden af en kregen vaste contracten. Er zijn flarden van etentjes op het balkon, van racefietsen over de dijk, van onze eerste echte ruzie, van filmavondjes op de enorme bank. Van de katten die niet naar buiten konden en daarom dagelijks een soort steile-wandrace door de gang en over de bank hielden. Van lopend naar de stad en het prachtige uitzicht bij zonsondergang. Het was een fijn appartement, maar toen we er niet meer woonden heb ik het geen moment gemist. Echt thuis werd het nooit, geloof ik.

Het huis daarna, ons eerste echte eígen huis, mis ik daarentegen nog steeds wel eens. Het huisje onder de kerk. Gister probeerden we ons voor te stellen hoe het zou zijn geweest als we daar nu nog woonden, in dat knusse jarentwintighuisje. Wie er dan in welke slaapkamer zou slapen (er waren er twee van normaal formaat en eentje van 2 bij 1.80) en waar we dan thuis zouden kunnen werken (nergens). Dat de kinderwagen daar altijd binnen stond, er altijd wel iéts lekte, de badkamer nog kleiner was dan de kleinste slaapkamer en dat de bakfiets geen optie was geweest omdat we daar geen achterom hadden. Maar toch, ondanks de praktische bezwaren, woonde ik er dolgraag. Het was het eerste huis dat we samen kochten en verbouwden. Waar mensen kwamen eten, we feestjes vierden in de achtertuin, waar vandaan we lopend naar het station konden om naar ons werk te gaan, waar de bevalling van Sam begon en we die eerste bloedhete zomer als gezin van drie doorbrachten. Een huis met zoveel mooie herinneringen. Ik droom nog wel eens dat het weer van ons is.

Toen Sam 9 maanden was, zijn we verhuisd naar het huis waar we nu wonen. In de wijk waarvan ik altijd gezworen heb dat ik er nooit naartoe zou gaan. Maar here we are. Al bijna drie jaar. We zochten iets groters en moderners en eindigden in dit splitlevelhuis dat ik tijdens mijn tweede zwangerschap dagelijks vervloekte (zes trappen, bekkeninstabiliteit en een dramatisch geheugen is een héle slechte combinatie), maar inmiddels als thuis is gaan voelen. Het huis wat deze hele coronacrisis al als een veilige haven voelt, waar ik weer zwanger werd, een miskraam kreeg en een paar maanden later alweer zwanger bleek. Waar Sam van baby naar dreumes naar peuter ging en waar de bevalling van Lot zich aandiende. Waar ik de hele winter van 2020/2021 knuffelend met mijn baby op de bank gezeten heb en ook zij inmiddels leert lopen. Waar we de keuze maakten om hier nog even te blijven, zodat ik de ruimte had om mijn baan op te zeggen en zzp’er te worden. En hoewel dit echt ons eindstation niet is, begint het na bijna drie jaar wel een serieus hoofdstuk in onze gezamenlijke geschiedenis te worden.

We concludeerden dat het ook eigenlijk niet uitmaakt waar we wonen. Als het maar samen is.

Een huis met een eetkamer, dat leek me altijd iets voor rijke mensen met landhuizen. Maar ha, het leuke van een splitlevelhuis als het onze, is dat je heel veel verdiepingen hebt en dus een aparte woon- en eetkamer kunt inrichten. Dit is onze eetkamer, waar we sinds corona ineens heel veel tijd doorbrengen. Het is namelijk een heel fijne plek om te eten, werken, knutselen, kleuren en spelletjes te doen.

Onze eetkamer is de gezelligste plek van het huis, met de tafel als hart van de kamer. De laatste toevoeging zijn de boekenplanken, daterend van het eerste lockdown-weekend, toen we net als de rest van Nederland aan het klussen zijn geslagen. Verder vind je er vooral veel groen, zowel op de wand als de stoelen en in de planten.

Groen, groen, groen! Het dressoir is gemaakt van IKEA Eket-kasjes, het schaakbord, de letterbak en de typemachine zijn vintage en de plant is een Monstera die hoognodig verpot moet worden. De kleur op de muur is een willekeurige groengrijze mengtint van de Hornbach.
Dressoir van dichtbij. In de letterbak staat onze collectie LEGO mini figures. Op de boekenstandaard een boek over LEGO, maar da’s toeval. We zijn geen die-hard LEGO-bouwers.
Hoewel….
De andere kant van de eetkamer, met een bekend kastje van IKEA vol persoonlijke spulletjes. En ja, dat is weer een LEGO-ruimteschip. Maar dit is echt de enige kamer in huis met LEGO hoor 😉
Dit zie je als je de trap op loopt. De IXXI van het Meisje met de parel hebben we al jaren en hing ook in ons vorige huis als eyecatcher. De tafel verhuist ook al een paar jaar met ons mee en is van Basic Label, de lampen zijn zelfgemaakt, het gymbankje is vintage, kleed van IKEA en de stoelen zijn van Giga Meubel.
Boekenplanken, gewoon van goedkope plankendragers van de Hornbach en witte planken. De oplettende kijker ziet dat mijn wederhelft een fascinatie heeft voor biografieën van enge dictators. Staat ook heel gezellig als achtergrond van je Skype-overleg, die collectie Hitler en Stalin achter je…

Het lastigste aan het inrichten van deze ruimte was om het gezellig te krijgen. Deze kant van het huis ligt op het noorden, dus het licht is er koel en het is snel een beetje donker. In plaats van dat heel erg te bestrijden, heb ik het maar omarmd. Door de warm groengrijze muur, de zachte fluwelen stoelen en het kleed onder de tafel voelt het nu gezellig in plaats van donker. De boekenplanken zijn ook heel waardevol. Niet alleen omdat ze gezellig staan, maar ook omdat het de galm van deze ruimte een beetje onderdrukt.

Zo zie je maar, een eetkamer is ook voor gewone mensen best haalbaar. We hebben onszelf wel moeten aanleren om er te gaan zitten. De keuken ligt zes treden lager en daardoor is het verleidelijk om daar aan de bar te eten. Maar door een dienblad te kopen waarmee je je spullen makkelijk meeneemt en de kinderstoel gewoon weg te halen uit de keuken, hebben we onszelf gedwongen. Nu eten we er in ieder geval elke ochtend, ’s avonds (tenzij we een kind-naar-bed-en-thuisbezorgd-avondje hebben) en ’s middags als we thuis zijn. Veel gezelliger 🙂

Op 1 februari 2019 kregen we de sleutel van ons nieuwe huis. En na twee weken muurtjes breken, behang afstomen en héél veel schilderen, konden we er op 16 februari voor het eerst slapen. Inmiddels wonen we dus alweer een jaar in de Vinex. In de wijk waarvan we vroeger altijd zeiden dat we er nog niet dood gevonden wilden worden. Een kind krijgen doet rare dingen met je, dat blijkt maar weer.

Meer ruimte, minder onderhoud
De keuze om hier te gaan wonen, was er van te voren al eentje waar we behoorlijk over twijfelden. Maar we wilden graag een groter huis waar we minder onderhoud aan hadden, zonder torenhoge hypotheek. En dan kom je al snel uit in de buitenwijken van je stad. Maar willen we dat wel? Gelukkig hadden we die twijfel allebei, waardoor we af konden spreken dat we het voor een paar jaar zouden proberen. Als we niet kunnen aarden, verkopen we het weer en gaan terug naar een wijk waar we wel blij van worden. Dus zo gezegd, zo gedaan.

Hoe bevalt het?
De wijk is objectief gezien prima. Het is enorm groen, je loopt zo de wijk uit en de polder in, er is een winkelcentrum met alles wat je nodig hebt, we hebben er een fantastische gastouder gevonden en het is er over het algemeen heel rustig. En toch voel ik hem nog niet helemaal: het blijft een beetje niksig. Ik mis het dorpse karakter en het eigene van onze vorige buurt. De oude huisjes. De kaasboer die altijd iets te zeiken heeft. De buurtkroeg om de hoek. En de connectie met de binnenstad. Het is maar een kwartier fietsen (twintig minuten met wind tegen en ok, het waait altijd), maar toch voelt als een wereldreis. Ik mis de stad. Als ik goed kijk, zie ik vanuit het slaapkamerraam de Peperbus in hartje Zwolle, maar verder zou het ook Spijkenisse of Almere kunnen zijn.

En het huis?
Ik ben heel blij met ons huis. Echt. Hoewel ik dol was op ons oude jaren-dertig-huis, heb ik het nog geen minuut gemist. De irritaties over het ruimtegebrek, die eeuwige lekkage, het achterstallig onderhoud van de buren en de gehorigheid zorgen ervoor dat deze oase uit 1998 vooral als een verademing voelt. Het is groot, het is goed geïsoleerd en het is, op een heel andere manier dan ons vorige huis, gezellig. De eerste weken voelden echt als een luxe vakantie. Ineens hadden we een vaatwasser, een riant ligbad (omg jongens, er gaat niks boven series kijken in bad) een aparte ruimte voor de wasmachine en een babykamer die drie keer zo groot is als de vorige. Het is nog steeds niet helemaal af (note to self: ga nou eens aan de slag), maar het voelt als thuis. Voor nu. Want stiekem kijken we ook alweer op Funda, op zoek naar iets anders.

Oh, echt?
We hebben echt he-le-maal niks met de buurt, dat is het belangrijkste punt. Ik heb nu pas door hoe belangrijk het is om in een wijk te wonen waar je je thuisvoelt, in plaats van in een anonieme nieuwbouwwijk. Natuurlijk hebben we hier ook onze ritueeltjes, kennen we de leuke plekjes inmiddels en fiets je zo de stad in, maar toch. Ik voel me hier op geen enkele manier mee verbonden.

Geeft niks, we hebben dat gevoel gelukkig allebei en het komt voor ons beiden niet als een verrassing. Nu de vraag: what’s next? En wanneer? We zullen het zien. Voorlopig zitten we hier nog wel even, ik ben net bekomen van de vorige verhuizing 😉


Wij wonen in een huis met vijf trappen en zes halve verdiepingen. Een splitlevelwoning. En hoewel ze volgens dit artikel hopeloos uit de mode zijn, zijn wij heel blij met ons huis.

De indeling van ons huis
Als je bij ons binnenkomt door de voordeur, kom je binnen in de gang met een toilet. Daarnaast is de keuken. Wanneer je vanuit de keuken de trap naar beneden neemt, kom je op de verdieping met de logeerkamer en de garage. De verdieping daarboven is de eetkamer. Vanuit de eetkamer kom je in de woonkamer, vanuit de woonkamer op de eerste slaapverdieping met twee slaapkamers en helemaal boven is de badkamer en onze slaapkamer.

Al die trappen
Om ergens te komen, moet je dus een trap op. Of af. Tijdens de verbouwing ging ik als een hijgend hert het huis door omdat ik al dat traplopen niet gewend was. Het leverde me serieuze spierpijn op. Maar inmiddels hebben we een ijzeren traploopconditie en ren ik fluitend van de garage naar de slaapkamer en weer terug. Al denk ik liever twee keer na of ik alles mee naar beneden genomen heb.

En al die traphekjes
Met een ondernemende dreumes en een heleboel trappen ontkom je niet aan traphekjes. We hebben er inmiddels vier verzameld. Twee om de woonkamer volledig af te sluiten (als een reusachtige box), eentje om te voorkomen dat ze van de keuken in de garage stort en eentje in de eetkamer. Maar het is meer om ongelukjes te voorkomen dan dat ze traplopen heel interessant vindt. Ze zit liever op de onderste trede haar rozijntjes uit te strooien.

Troep centraal
Een groot voordeel van veel kamers is dat je de troep kunt centraliseren. Als het in de keuken een bende is, ga je in de woonkamer zitten en vice versa. Speelgoed ligt hier nooit door het hele huis, maar alleen in de woonkamer. En als je visite hebt, kun je altijd kiezen uit de keuken, de eetkamer of de woonkamer.

Tocht
Het enige grote nadeel aan dit huis is dat het hele trapgat van boven tot onder open is. En dat zorgt ervoor dat het soms wat kil aan kan voelen. De truc is om de deuren van de slaapkamers goed dicht te houden, zodat de warmte in de woonkamer blijft hangen. Dan is het prima te doen. We stoken niet veel meer dan in ons oude jaren-dertig-huis en zitten gemiddeld ruim onder het gasverbruik van een gemiddeld rijtjeshuis. De woonkamer ligt op het zuiden en daardoor helpt de zon vaak een handje bij de verwarming overdag.

Kortom: liefde voor het splitlevelhuis. Toegegeven, die speelse indeling moet je smaak zijn en je kunt er vermoedelijk niet tot je tachtigste wonen zonder vijf trapliften te laten installeren, maar je krijgt er wel heel veel ruimte voor terug. En een strakke kont.